Als mijn moeder mij in de zomer van 1997 niet had gevraagd of ik zin had om samen met haar op rijles te gaan, dan had ik nu nog geen rijbewijs gehad. Ik zag er domweg het nut niet van in. Ik deed alles op de fiets en met de trein en vond het wel prima. Bovendien zag ik auto’s als milieuvervuilende moordmachines. Ma verzekerde me dat het handig zou zijn om een rijbewijs te hebben, ook als ik niet zou besluiten om een auto te kopen. Omdat ze me altijd goed kon overtuigen, besloot ik om met haar mee te doen. We schreven ons in bij een rijschool in Scheemda.

We hadden dezelfde rijleraar maar kregen apart les. Hij maakte met zijn ironische opmerkingen en flauwe humor een onuitwisbare indruk op ons. Jaren later zouden we hem nog citeren. Mijn moeder vond het niet eens erg dat hij haar ‘die ouwe’ noemde (ze was 45) en mij ‘Suukerpopke’ (omdat hij mij een moederskindje vond). Hij had wel de pech dat ik met mijn 22 jaar een stuk mondiger was dan de gemiddelde leerling, die zo’n 4 jaar jonger was. Af en toe zaten we te bekvechten en ik beschuldigde hem ervan dat hij mijn moeder een keer overstuur had gemaakt. Niet dat ik er bij was geweest, maar uit haar verhalen kon ik begrijpen dat hij af en toe een beetje bot was als ze een fout maakte. Hij kon soms erg drammen en hameren op je zwakke punten en dat gaf je het gevoel dat je ongeschikt was om ooit een goede chauffeur te worden. Uiteindelijk gaven we toe dat zijn af en toe harde aanpak wel zijn vruchten heeft afgeworpen. Soms moet je een beetje extra gestimuleerd worden om je uiterste best te doen.

Om eerlijk te zijn was ik verre van een natuurtalent als het op auto rijden aankwam. In tegenstelling tot mijn vrienden, die na 20 lessen fluitend in één keer afreden, had ik dubbel zoveel lessen nodig en had ik pas na mijn vierde examen het felbegeerde papiertje in handen.
Maar zover was het nog niet. Ma en ik kregen elke week les en onze pa was de enige in huis die ons nog steeds naar alle afspraken moest rijden. Toen mijn moeder en ik al heel wat lessen hadden gehad, was pa voor een congres ergens in het westen van het land. Hij reisde graag met de trein, omdat je dan ook een beetje kunt werken terwijl je je verplaatst.

Ma en ik zagen de Mazda werkloos op de oprit staan en we dachten waarschijnlijk allebei hetzelfde. Het was erg mistig en ze zei dat we boodschappen nodig hadden. Niet fijn om er op de fiets door te gaan, vooral niet omdat we in een klein dorpje woonden en dat er eigenlijk minstens vijf kilometer verderop pas een echte supermarkt was.

Voordat we het wisten zaten we in de auto. Ik startte de wagen en vlak na het wegrijden sloeg de motor alweer af. Waarschijnlijk liet ik de koppeling te snel los. Toch heel anders, zo’n benzine-auto (met rijles reden we in een diesel). Opeens besloegen alle ramen. Onder het rijden probeerden ma en ik alle knopjes op het dashboard uit, maar er leek niet veel te gebeuren. Snel het raam maar open. Ma zag het niet meer zitten. ‘Zullen we maar weer naar huis gaan?’ Ik vond dat we door moesten rijden. We reden door Meeden, waar we steeds moesten stoppen om tegenliggers te laten voorgaan. Er stonden veel auto’s langs de weg geparkeerd, dus er was te weinig ruimte om door te rijden. Telkens sloeg de motor af bij het wegrijden. Uiteindelijk was ik zo snugger om wat gas bij te geven.

Na een klein half uurtje kwamen we aan in Veendam. Ma zei dat ik de auto maar op het dak van het ABC-complex moest zetten, maar dat zag ik niet zitten. Geen idee hoe dat werkt, ‘omhoog rijden’. Voorlopig was horizontaal rijden al moeilijk genoeg.
Ma reed op de terugreis en bracht het er een stuk beter vanaf dan ik. Gelukkig was de mist ook weggetrokken.
Pa kon het later haast niet geloven wat we hadden gedaan. ‘Als jullie waren gepakt…’ Ook onze rijleraar vond het superstom. ‘Als jullie waren aangehouden, hadden jullie het auto rijden voor de rest van je leven op je buik kunnen schrijven!’
Leek ons een beetje overdreven, maar voor de veiligheid is het toch maar bij deze ene keer gebleven…